zondag 15 april 2018

Schier

Als ik aankom op het eiland, voel ik het niet. Het gloeien van mijn hart wanneer ik eerder hier voet aan wal zette.
Komt het door het slechte weer dit weekend, het feit dat ik hier nu zonder mijn gezin ben of omdat de vorige keer dat ik hier was, Art nog vrolijk rond rende en konijnen telde? In gedachten zie ik hem overal rond banjeren, het doet te veel pijn om hier te zijn.
Ik heb nergens zin in, wil niet wandelen, niet de natuur in.
De hond wil dat wel. Dus ik loop toch met haar het dorp uit, en daar zit een mereltje op de heg naast me. Een mannetje. Heel brutaal blijft hij zitten als ik langs hem loop. Art. Ik kijk op naar een huisje rechts van mij en zie de klopper op de deur. Een walvis. Art. Hij is hier echt.
’s Avonds bij het wandelingetje zie ik boven de huizen het licht van de vuurtoren. Drie keer aan en dan rust. Het eiland heeft toch iets magisch. Mijn hart gloeit weer even.

woensdag 28 februari 2018

Beren

Het gaat niet zonder slag of stoot.
De draad oppakken.
Mijn leven werd jarenlang geleid. Ik hoefde geen keuzes te maken, ik moest slechts zorgen voor.
Nu zwem ik in een grote vijver en weet ik niet welke vis te pakken.
Ik voel de tijd weg tikken, volgend jaar word ik veertig. Als ik nog een baan wil, moet ik snel zijn. Maar wie wil mij nog hebben met dat gat op mijn cv? En wat kán ik nu eigenlijk?
Alleen maar beren op de weg in plaats van focus.
Soms zit ik huilend achter mijn computerscherm. Ik wil, nee ik móet schrijven, maar er komt niets uit mijn handen. Ik wacht en er komt niets. Alleen paniek in mijn hoofd, omdat er zo veel richtingen mogelijk zijn.
Misschien ben ik zelf wel de grootste beer. En moet ik gewoon een eerste stap durven zetten. In welke richting dan ook.

maandag 19 februari 2018

18 februari

We liepen in het herdenkingspark. Je deed hink-stap-sprong, rende voor me uit. Alsof we een normale zondagmiddagwandeling deden.
Daar was het juiste veldje. We praatten over een schoolvriendje dat nu een Wensdag had. Je zei gekscherend dat jij er ook wel een had verdiend, met niet één maar twee dode broers, en ook nog een dode kat. We moesten lachen en zetten wat knuffels, bloemen, windmolentjes en engeltjes recht.
We komen hier al zo lang je je het kunt herinneren, altijd in februari.
Je telde alle bordjes, van verschillende ziekenhuizen. Het waren er acht. ‘Worden er zo veel dode baby’s geboren?’ vroeg je.
Ik knikte en vertelde dat we hier moesten zijn, bij het bordje van het OLVG. Je ging door je knieën en speurde vlak boven het mossige gras naar stukjes as. Ik zei: ‘Gatver Bent, straks neem je een stukje van een ander mee naar huis.’ Je keek ondeugend naar me op.
‘Weet je nog, mama, dat ik de vorige keer een tekening bij me had maar dat ik die niet wilde achterlaten omdat ik bang was dat hij zou worden natgeregend?’ We lachten nog een keer.
Die vorige keer waren we hier met z’n drieën. Je jongere broer deed met zijn bananenvoeten hink-stap-sprong. En hij vond het niet erg dat zijn tekening voor zijn oudste broer verregend zou worden, dus liet hij hem achter op het veldje. Niets meer van over.
We liepen terug naar de auto. En op weg naar huis was ik heel erg gelukkig met jou, mijn grote zoon, die iedere storm overleeft.

zaterdag 17 februari 2018

Droom

Vannacht droomde ik over Art. Hij lag in mijn bed van vroeger, op mijn kamertje in mijn ouderlijk huis.
Art was heel erg ziek en hij zag er vreselijk uit.
Hij zei: ‘Niet huilen, mama.’ Onze voorhoofden raakten elkaar.

Toen ik wakker werd, moest ik wél huilen. We missen je enorm, Art.

donderdag 25 januari 2018

Weg

Ik wandelde buiten met de hond, liep langs het kinderdagverblijf en spiekte naar binnen. Daar zag ik het achterhoofdje van mijn dochter – ik zou het uit duizenden herkennen. Ik voelde de intense liefde voor mijn kinderen en daar rolden de tranen om het jongetje dat er niet meer is. 
Zíjn achterhoofdje kan ik nog zo uittekenen. Zijn flapoortjes, de donkere borstelhaartjes en het litteken van boven naar beneden in zijn nek. Het is zo’n raar idee dat dat er allemaal niet meer is.
Dat Art dood is, is één ding om mee te leren omgaan. Maar dat hij ook helemaal weg is, is wat anders. 
Behalve het hoopje as is er niets fysieks van hem over. En dat is bijna nog moeilijker te accepteren dan het feit dat hij dood is. Niet dat ik hem zou willen opzetten, wat wel eens met dieren of ‘grote’ leiders gebeurt. Maar ik kan voor mijn gevoel nergens heen met mijn verdriet. Art is van de aardbodem verdwenen. Ik kan hem nooit meer bewonderen, aanraken of kusjes geven.
Susan Smit schreef een blog over hoe ze haar kinderen mist wanneer ze bij hun vader, haar ex-partner, zijn. Dat het huis niet klopt zonder de kinderen, dat alles - ook de spullen - wacht tot ze weer terug zijn. Zo voelt het hier sinds afgelopen september, wilde ik haar schrijven, met het verschil dat mijn Art nooit meer terug komt.
Art is er niet meer. Dat besef komt nog steeds stukje bij beetje binnen. Soms voel je het verdriet al even aankomen. Soms overvalt het je. Maar het is altijd gruwelijk hard.